Focale chromosomale afwijkingen bij patiënten met een laaggradig glioom

Bijdrage Stichting STOPhersentumoren.nl: 50.020,- euro per 3 december 2009

Doel van dit project: De uitkomsten van dit project helpen de behandeling van patiënten met een laaggradig glioom te verbeteren door het mogelijk te maken beter te bepalen wanneer een individuele patiënt een nabehandeling nodig heeft. Zo wordt voorkómen dat patiënten te vroeg (met als gevolg onnodige bijwerkingen) of te laat (met als gevolg toename van de tumor die voorkómen had kunnen worden) behandeld worden.

Bijdrage Stichting STOPhersentumoren.nl: 50.020,- euro per 3 december 2009

Elk jaar krijgen in Nederland ongeveer 250 mensen te horen dat ze een laaggradig glioom hebben. Een laaggradig glioom is een langzaam groeiende tumor die uitgaat van het steunweefsel rondom de zenuwcellen in de hersenen. Mensen kunnen deze ziekte op allerlei leeftijden krijgen, maar gemiddeld zijn ze jong (ongeveer 35 jaar) in verhouding tot patiënten met andere vormen van kanker.

Uiteindelijk ontwikkelt een laaggradig glioom zich bijna altijd tot een meer agressieve hersentumor (een hooggradig glioom, de glioblastoma multiforme (GBM) graad 4) waaraan deze mensen overlijden, maar deze omvorming treedt vaak pas na vele jaren op. Afgezien van symptomen zoals epileptische aanvallen, vermoeidheid, en concentratie- en geheugenstoornissen, kunnen veel patiënten met een laaggradig glioom dus lange tijd relatief normaal functioneren in hun werk en privéleven.

Bij deze mensen kan na aanvankelijke verwijdering van de hersentumor verantwoord afgezien worden van aanvullende behandeling in de vorm van bestraling of chemokuren totdat opnieuw groei van de tumor optreedt, temeer daar deze behandelingen bijwerkingen kunnen geven die normaal functioneren juist in de weg staan. Bij sommige patiënten met een laaggradig glioom ontstaat echter vrijwel direct na de aanvankelijke operatie omvorming naar een hooggradig glioom. Deze mensen zijn gebaat bij vroege nabehandeling in de vorm van bestraling of chemotherapie. Momenteel is het niet goed mogelijk te bepalen of patiënten in de ene groep ('echt' laaggradig glioom à afwachten) of in de andere groep ('pseudo' laaggradig glioom à behandelen) vallen. Sommige patiënten worden dus over behandelt en andere onder behandelt, met alle gevolgen van dien.

Op het juiste moment de juiste behandeling

Met dit onderzoek willen we beter onderscheid maken tussen beide groepen ('echt' versus 'pseudo') door middel van genetisch onderzoek op het tumorweefsel, zodat patiënten op het juiste moment de juiste behandeling gaan krijgen. Bij hooggradige gliomen is al bewezen dat het door bepaling van focale chromosomale afwijkingen mogelijk is om meer en minder agressieve tumoren te onderscheiden en zelfs te voorspellen of een tumor op een bepaalde behandeling zal reageren, maar bij laaggradige gliomen is hier nog nauwelijks onderzoek naar gedaan. In het VU Medisch Centrum hebben we een groot gegevensbestand van zo'n 300 patiënten met een laaggradig glioom én de apparatuur en expertise om focale chromosomale afwijkingen in laaggradig glioomweefsel te bepalen.

Het doel is om op basis van de resultaten van dit onderzoek te komen tot een relatief eenvoudige en goedkope routinetest (een zogenaamde MLPA-test) ter bepaling van het risico op snelle tumoromvorming bij patiënten met een laaggradig glioom. In 2009 is reeds, op kosten van het VU Medisch Centrum zelf, een voorfase onderzoek verricht; onderzoek op tumorweefsel van 25 patiënten met een laaggradig glioom toonde dat 1) het genetisch onderzoek technisch haalbaar is en 2) het onderzoek de gewenste resultaten kan opleveren, mits het aantal onderzochte patiënten kan worden uitgebreid.

Doel van dit project:

De uitkomsten van dit project helpen de behandeling van patiënten met een laaggradig glioom te verbeteren door het mogelijk te maken beter te bepalen wanneer een individuele patiënt een nabehandeling nodig heeft. Zo wordt voorkómen dat patiënten te vroeg (met als gevolg onnodige bijwerkingen) of te laat (met als gevolg toename van de tumor die voorkómen had kunnen worden) behandeld worden.

Eindresultaat:

Het eindresultaat van het project moet zijn dat we een eenvoudige methode hebben om de nabehandeling van patiënten met een laaggradig glioom beter te timen. Alle patiënten met een laaggradig glioom, ongeveer 250 nieuwe patiënten per jaar in Nederland, hebben baat bij dit resultaat. Indirect hebben patiënten met een hooggradig glioom waarschijnlijk ook baat bij de bevindingen, in totaal betreft het derhalve meer dan 1000 nieuwe patiënten per jaar. VU Medisch Centrum Amsterdam