Hersentumor behandeling

Behandeling van een hersentumor

Onder neurochirurgen wordt vaak gehoord dat men, ondanks vooruitgang op allerlei gebieden, met de behandeling van de hersentumor niet erg veel is opgeschoten sinds het begin van de ontwikkeling van het vak. Ten dele is dit ook zo. Hoewel door de vooruitgang op het gebied van afbeelding (CT, MRI en andere soorten scans), narcose en intensive-care de behandeling veel beter is geworden, is men nog altijd niet in staat een hersentumor volledig onder controle te krijgen, d.w.z. te genezen. Dat komt omdat ondanks alle inspanningen een hersentumor vrijwel altijd weer terug komt. Iedere neurochirurg heeft in zijn praktijk echter een of twee patiënten bij wie de tumor niet is teruggekomen, en daarom is het voorspellen van een beloop bij een individuele patiënt zo moeilijk. Als je weet dat van de 100 patiënten de tumor bij 98 na een bepaalde tijd weer terugkomt, dan zegt dat wel iets over de kwaadaardigheid van de tumor, maar als individuele patiënt weet je niet of deze tot de 98 of tot de 2 anderen behoort.

Wanneer de algemene conditie van de patiënt en de ligging van de tumor het toelaten zal tot operatie besloten worden. Slechte resultaten worden vooral gezien bij patiënten die al veel neurologische uitval hebben, wanneer de tumor erg diep in de hersenen ligt of in een neurologisch belangrijk of onmisbaar gebied. Bij de operatie wordt een luikje in de schedel gemaakt boven het gebied waar de tumor ligt. Na het openen van het harde hersenvlies kan de tumor vervolgens met een speciaal apparaat worden weg getrild en weggezogen, tot in het gebied eromheen waar het normale hersenweefsel zich bevindt. Dit wordt uiteraard met rust gelaten. Verder wordt er bij een operatie uiteraard ook altijd op gelet dat neurologisch belangrijke gebieden niet worden beschadigd. Dit geeft vaak de beperkingen van een operatie aan. Een belangrijk hulpmiddel bij het precies bepalen van het te opereren gebied is de neuronavigatie. Het verwijderde materiaal wordt altijd opgestuurd voor pathologisch-anatomisch onderzoek. Na fixatie en kleuringen worden de preparaten bekeken en zal een diagnose worden gesteld. Soms zijn aanvullende kleuringen of aanvullend overleg met andere collega's nodig, waardoor de uitslag soms even op zich kan laten wachten. Men moet met minimaal een week rekenen en er begrip voor hebben dat de behandelend neurochirurg in deze periode geen uitspraken zal doen.

Om de risico's te verkleinen bij opereren in belangrijke gebieden kan geopereerd worden bij een wakkere patiënt. Dit klinkt griezeliger dan het is. Alles wordt zo goed verdoofd dat er geen pijn is, en de hersenen zelf hebben geen gevoel, hoe vreemd dit ook mag lijken.

De behandeling van een laaggradig astrocytoom is anders dan die van het "gewone" of hooggradige glioom. Er bestaat ook minder eenstemmigheid over. Afwachten is b.v. heel vaak een goede optie. Het kan in bepaalde gevallen echter de voorkeur verdienen om het afwijkende proces te verwijderen door middel van een operatie. Er bestaat nog veel discussie over de vraag of en wanneer eventueel bestraling moet worden toegepast. Hierbij dient men te bedenken dat bestraling (radiotherapie) van de hersenen slechts een keer kan plaatsvinden.

Complicaties

Complicaties van een operatie voor een hersentumor kunnen zijn: zwelling van de hersenen (oedeem, vooral als niet alles kon worden weggehaald), een nabloeding, infectie, toename of optreden van neurologische uitval of epileptische aanvallen. Daarnaast zijn er de complicaties van algemene aard zoals trombose, longontsteking e.d.

Na de operatie

Bij een normaal beloop zal een patiënt na de operatie niet meer uitval van functies hebben dan daarvoor. Pijn is meestal geen thema van betekenis. Na een nacht op de afdeling voor intensieve of speciale bewaking volgt een herstelperiode op de gewone verpleegafdeling, waar meestal na enkele dagen de medicijnen tegen de vochtophoping (oedeem) zullen worden verminderd. Als de uitslag van de patholoog-anatoom bekend is zal het verdere beleid worden besproken.

Wanneer de tumor een graad III of IV betreft, gaat het hierbij vrijwel altijd om bestraling, mits de toestand van de patiënt dit toelaat. Van bestraling is bekend dat deze als vrijwel enige aanvullende behandeling effectief is en gemiddeld een levensverlenging van drie maanden als resultaat heeft. Dit lijkt weinig, maar men dient te bedenken dat het ook hier weer om gemiddelden gaat met een grote spreiding. De behandeling is overigens wel intensief en neemt ca. zes weken in beslag.

Bij het laaggradig astrocytoom (graad II) kan gekozen worden voor een afwachtend beleid of eventueel voor bestraling of zelfs verwijdering van het proces wanneer de ligging dit toelaat.

Van geen enkele andere behandeling of dieet is bewezen dat deze effectief is.

Recidief

Zoals eerder gezegd komt een hersentumor op een enkele uitzondering na altijd weer terug. Een typisch beloop is een waarbij een patiënt na operatie goed opknapt, maar na zes maanden toch weer verschijnselen gaat vertonen. De MRI-scan laat dan vaak een recidief zien. Wat er dan gebeurt hangt af van een groot aantal factoren: leeftijd en conditie van de patiënt, plaats van de tumor, interval tot het recidief, aanvankelijk herstel na de eerste operatie enz. In sommige gevallen kan tot een tweede operatie besloten worden, maar meestal valt er niet zo veel meer te doen. In enkele centra wordt nog wel eens gewerkt met het implanteren van radio-actief materiaal (brachytherapie) of chemotherapie (bij het oligodendroglioom is dit laatste soms effectief). Dit moet van geval tot geval worden bekeken en er vallen geen algemene richtlijnen voor te geven.

Gemiddeld bedraagt de overlevingstijd na het stellen van de diagnose een jaar, maar zoals eerder gezegd zijn er grote variaties die bij de individuele patiënt absoluut niet te voorspellen zijn.

Tenslotte

Een kwaadaardige hersentumor is een zeer ernstige diagnose. Patiënten met een laaggradige tumor kunnen echter vaak nog jaren leven, maar voor de patiënten met een hooggradige hersentumor (glioblastoom) ziet het er ondanks maximale behandeling helaas veel slechter uit. Ondanks alle vooruitgang in de neurochirurgie bestaat er geen volledig effectieve therapie, niet in Nederland en ook niet elders op de wereld. Onderzoek ernaar vindt echter overal plaats en men hoopt dat er net als bij andere tumoren een doorbraak zal plaatsvinden. De patiënten overlijden doorgaans aan een recidief met verhoging van de druk in het hoofd, leidende tot toenemende sufheid en neurologische uitval. Deze laatste fase is door de ontluistering en het verlies van contact voor de omgeving akeliger dan voor de patiënt zelf, die er doorgaans geen weet meer van heeft. Een patiënt voelt geen pijn en slaapt doorgaans heel rustig in. Tijdelijk worden nog wel medicijnen (steroïden) gegeven, maar na enige tijd werken deze niet meer. Een verstandig arts zal zijn patiënten en hun familie dan ook adviseren af te zien van het zoeken naar allerlei "laatste strohalm" behandelingen en zich erop te richten het resterende leven zo aangenaam en makkelijk mogelijk te maken.