Vervolg chemotherapie

Hoe worden chemotherapie geneesmiddelen gegeven?

Chemotherapie kan oraal of intraveneus worden gegeven.

Orale chemotherapie

Orale chemotherapie wordt gegeven als pillen in de vorm van tabletten of capsules. Deze kunnnen gewoon thuis ingenomen worden. Als uw chemotherapie oraal is, krijgt u specifieke instructies en bijwerkingen door uw arts en / of verpleegkundige voordat u begint het nemen van de medicatie(s). Eén chemotherapeutisch middel dat vaak wordt gebruikt in de behandeling van hersentumoren is temozolomide, ook bekend onder zijn handelsnaam naam Temodal of Temodar. Temozolomide kan worden gegeven dagelijks gedurende vele weken, tijdens bestralingstherapie, of dagelijks (5 dagen uit 28) voor vele jaren. Het heeft minder bijwerkingen vergeleken met vele andere chemotherapeutische middelen. Studies laten zien dat het bij veel mensen effectief is. Er zijn echter ook studies waaruit blijkt dat Temozolomide de ziekte Leukemie als bijwerking geeft. Of bij bepaalde langzaam groeiende hersentumoren, en er is nog niet bekend bij welke en waarom, agressiever tumorgroei, of chemokuur resistentie zie o.a. Brain Cancer Breakthroughs

Intraveneus (IV)

Chemotherapie medicijnen kunnen direct in een ader in de hand of arm worden toegediend. Vóór de komst van oraal toegediend temozolomide,  was toediening van chemotherapie vai het infuus de meest gebruikelijke methode voor medicijnafgifte. We praten dan vooral over de PCV-chemotherapie.  De lengte van elke behandeling, het aantal behandelingen en de frequentie van behandelingen zijn verschillend voor elk medicijn. De aders van sommige mensen zijn meer moeilijk toegankelijk dan anderen. De bijwerkingen zijn bij de ene patiënt heftiger dan bij de andere. Meestal maakt de chemotherapie-verpleegkundige de beoordeling van uw aderen op het moment van de behandeling. Indien er langdurig intraveneus chemotherapeutische middelen dienen te worden gegeven, zal bij veel patiënten een speciale intraveneuze lijn worden ingebracht, genaamd een perifeer- of centraal katheter of PICC-lijn.

Intra-arteriële

Chemotherapie medicijnen kunnen direct in een slagader worden toegediend. Dit is echter een zelden gebruikte experimentele methode waarvoor ziekenhuisopname vereist is.

Intrathecaal (in de cerebrospinale vloeistof)

Chemotherapie medicijnen kunnen direct in de hersenvocht worden toegediend een lumbale punctie gebruiken (spinale aftapping). Als alternatief kan het medicijn worden gegeven door een Ommaya-reservoir dat rechtstreeks in het ventrikel wordt ingebracht, waarvoor een bewerking nodig is. Zie chirurgie

Directe anti-tumortherapie

Naarmate technologieën verbeteren, zijn er methoden ontwikkeld om de chemotherapeutische middelen direct naar een hersentumor te geleiden. Dit vereist plaatsing van het chemotherapeutische middel direct in het gebied waar het tumor was gelokaliseerd op het moment van initiële resectie of toediening van het chemotherapeutische middel op een later tijdstip als onderdeel van een specifieke operatie.

Een techniek van directe antitumortherapie is het gebruik van biologisch afbreekbare wafers, ook bekend als Gliadel-wafers. Gliadel is een biologisch afbreekbaar implantaat die in de chirurgische holte wordt geplaatst nadat een hersentumor is verwijderd. Terwijl de wafer langzaam oplost, komt er een chemotherapeuticum vrij genaamd Carmustine of bis-chloorethylnitrosoureum. Het medicijn laat hoge hoge concentratie medicijn achter nabij de tumorplaats voor een langere tijdsperiode. De wafers hebben een diameter van ongeveer 14 mm en een dikte van 1 mm (ongeveer de grootte van een dubbeltje). Er kunnen maximaal acht wafers tegelijk worden geplaatst. Gliadel wafers zijn niet geschikt voor iedereen of voor alle soorten tumoren, en er zijn bijwerkingen zoals (meer) epileptische aanvallen, problemen bij wondgenezing, lekken in ruggenmergvloeistof. Tevens is de werking beperkt en dient aansluitend toch weer orale of intraveneuze chemotherapie te worden gegeven. In Nederland wordt dit daarom weinig gebruikt.

Een andere directe antitumortherapie wordt "Convection Enhanced Drug Delivery". Bij deze techniek worden kleine katheters operatief rond een tumorholte geplaatst na resectie en door de schedel en de huid naar buiten gebracht. De katheters zijn bevestigd aan een pomp die chemotherapeutisch kan worden toegediend medicijnen rechtstreeks naar de hersenen rond de tumorholte. Deze techniek is intensief en extreem gevoelig voor infecties en wordt over het algemeen alleen in klinische onderzoeken gebruikt.

Welke bijwerkingen zijn verbonden aan chemotherapie?

Sommige algemene bijwerkingen komen vaak voor bij verschillende chemotherapeutica middelen, maar er zijn ook bijwerkingen die specifiek zijn voor elk afzonderlijk geneesmiddel. Jouw oncologieteam zal in detail eventuele mogelijke bijwerkingen met je bespreken.

De neuro(onco)loog geeft u gedetailleerde informatie over uw chemotherapiebehandeling. Uw arts en apotheker zijn ook in staat om eventuele vragen over de gebruikte medicijnen te beantwoorden.

Bijwerkingen kunnen zijn:

Onmiddellijke mogelijke effecten

Komt voor binnen de eerste 24 uur nadat het medicijn is toegediend:

  • Misselijkheid
  • Braken

Korte termijn effecten

Komt voor binnen enkele weken nadat het medicijn is toegediend:

  • Myelosuppressie (onderdrukking van de functie van het beenmerg)

Lange termijn effecten

Effecten op de lange termijn, nadat het chemotherapeutische middel is toegediend, zal vaak vele jaren moeten worden gemonitord en opgevolgd na de behandeling. Er kunnen langdurige gevolgen zijn voor uw gezondheid en medische zorg, zoals gehoorverlies, gevoel- of nierstoornissen.

Algemene bijwerkingen

Er zijn veel verschillende chemotherapie-middelen gebruikt om kanker te behandelen, en de mogelijke bijwerkingen zijn uniek voor elk medicijn en kunnen variëren. De neuro-oncoloog die de chemotherapie voorschrijft zal de mogelijke kant van bijwerkingen zorgvuldig uitleggen effecten voor u en vertellen aan u wat te doen als ze zich voordoen. Sommige vaak voorkomende bijwerkingen zijn hieronder opgesomd.

Misselijkheid of braken

Dit kan 30 minuten tot enkele uren na de toediening van sommige (niet alle) geneesmiddelen voor chemotherapie. Als bekend is dat de chemotherapie dit veroorzaakt misselijkheid of braken, krijgt u andere medicijnen (anti-emetica) toegediend Voorkom het. Nieuwe, zeer effectieve antinausea medicijnen zijn nu beschikbaar die meestal deze bijwerking controleren.

Haaruitval

Sommige chemotherapeutische middelen zullen haarverlies veroorzaken, wat kan gebeuren over je hele lichaam. Dit gebeurt niet onmiddellijk, maar twee of drie weken nadat chemotherapie is gegeven. Af en toe zal de hoofdhuid zacht voelen als het haar verloren is. Sommige mensen kiezen ervoor om hun haar kort te knippen, om het gemakkelijker te onderhouden. Je haar groeit meestal terug nadat je chemotherapie is voltooid.

Myelosuppressie

Het beenmerg is de fabriek die bloedcellen maakt. Veel chemotherapie geneesmiddelen beïnvloeden het beenmerg en veroorzaken een daling van het bloedbeeld. Deze gebeurt meestal 10 tot 14 dagen nadat een kuur met chemotherapie is gegeven, en duurt nog eens zeven dagen om weer normaal te worden.

Er zijn drie soorten bloedcellen die kunnen worden beïnvloed:

  • Rode bloedcellen transporteren zuurstof door het lichaam. Als deze cellen in aantal zijn verminderd, kun je bloedarmoede krijgen, tekenen hiervan omvatten bleekheid en vermoeidheid of moe voelen. Sommige mensen worden kortademig tijdens het sporten en ontdekken dat hun activiteit is beperkt. Een bloedbeeld zal een laag niveau van hemoglobine (Hb) laten zien. Als hemoglobine te laag wordt, kan een bloedtransfusie nodig zijn. Uw arts zal dit zo nodig met u bespreken.
  • Witte bloedcellen bestrijden infecties en vormen het lichaam haar immuunsysteem. Veel chemotherapie medicijnen veroorzaken een vermindering van witte bloedcel aantallen, met name één type witte bloedcellen genoemd neutrofielen. Deze aandoening wordt neutropenie genoemd en in wezen betekent dat het lichaam infecties niet goed kan bestrijden. Als je neutropenie ontwikkelt heb je waarschijnlijk antibiotica nodig. Bij koorts of ziek worden na het ontvangen van chemotherapie, neem dan onmiddellijk contact op met het ziekenhuis om te worden onderzocht.
  • Bloedplaatjes zijn kleine cellen die aan elkaar plakken en het bloed helpen klonteren wanneer je jezelf snijdt. Als het aantal bloedplaatjes laag wordt, loop je het risico op blauwe plekken en bloedingen. Andere tekenen van een laag aantal bloedplaatjes omvatten uiterst kleine puntige paarsachtige vlekken (petechiën), neusbloedingen, of het tandvlees bloedt als je je tanden poetst. Een  bloedplaatjestransfusie kan nodig zijn om het aantal bloedplaatjes te verhogen.

Perifere neuropathie

Sommige chemotherapeutica (bijvoorbeeld Vincristine ) kunnen schade veroorzaken de uiteinden van de zenuwen in de handen en voeten veroorzaken gevoelloosheid, tintelingen of zwakte. Autonome neuropathie die soms constipatie veroorzaakt komt voor bij sommige medicijnen. Als u een van deze bijwerkingen ervaart, meld ze aan uw oncoloog. Ze zijn meestal tijdelijk en verdwijnen geleidelijk aan als u uw chemotherapie hebt voltooid.

Autonome neuropathie is een groep symptomen die optreedt wanneer er schade aan de zenuwen is die elke dag uw autonome verricht. Dat zijn lichaamsfuncties zoals bloeddruk, hartslag, darm en het ledigen van de blaas en de spijsvertering.

Gehoorverlies

Enkele chemotherapeutica (vooral cisplatine) kunnen gehoorverlies veroorzaken. Als u een medicijn krijgt dat gehoorverlies kan veroorzaken, horen er in uw behandeling speciale gehoortests (audiogrammen) te worden uitgevoerd om gehoorverlies te controleren, zodat uw behandelingen kunnen worden gewijzigd voordat er ernstig gehoorverlies optreedt.

Oorzaken en risicofactoren van een hersentumor

Oorzaken en risicofactoren hersentumoren

Over hoe en waardoor hersentumoren ontstaan is vrijwel niets bekend. Invloeden van buitenaf lijken geen belangrijke rol bij de ontwikkeling van een glioom te spelen. Wel is duidelijk dat erfelijke factoren mede een rol spelen, alleen niet in welke mate. Het gaat in elk geval niet om een erfelijke ziekte. Veel meer is het waarschijnlijk zo dat de aanleg om een hersentumor te krijgen al bij de geboorte aanwezig is. Van geen enkele omgevingsfactor is een relatie met het ontstaan van hersentumoren aangetoond (voeding, roken, alcohol, enz.). Er kunnen wel een aantal risicofactoren worden onderscheiden:

Röntgenstraling

Patiënten die eerdere hoogfrequente bestraling van het hoofd hebben gehad, of mensen die werken op de radiologieafdeling van een ziekenhuis en zich niet beschermen, hebben een grotere kans op een glioom.

Voor een verband met het gebruik van de mobiele telefoon is er geen bewijs.


Leeftijd

Gemiddeld is het risico op een hersentumor 1 op 200 kans. (Kanker krijgen is 1 op 3 kans). Het risico op een hersentumor neemt toe naarmate iemand ouder wordt. Er worden dus meer ouderen getroffen door een hersentumor dan jongeren. Echter een hersentumor kan p elke leeftijd optreden er worden zelfs baby’s met een hersentumor geboren. Bepaalde vormen van hersentumoren komen vrijwel uitsluitend bij kinderen voor. (Bijvoorbeeld een medulloblastoom.)

Chemische stoffen

Blootstelling aan chemische stoffen op het werk kan een hersentumor geven. Echter vandaag de dag zijn de veiligheidsnormen in de chemische industrie en het milieu in westerse landen van zo hoog van standaard, dat blootstelling van werknemers aan hoge doses chemicaliën nauwelijks meer voorkomt. Dit in tegenstelling tot onderontwikkelde landen.

Familiaire aanleg

Bij slechts een klein aantal erfelijke syndromen komen gliomen voor. Echter deze syndromen zijn veelal in de familie bekend, of worden ontdekt in de vroege jeugd. Een klein deel van de hersentumoren komen voor bij mensen met een familiegeschiedenis van hersentumoren of een familiegeschiedenis van genetische syndromen die het risico op hersentumoren te verhogen.

Voorbeelden van erfelijke ziektes zijn; Von Recklinghausen / neurofibromatose type 1, Syndroom van Turcot, Li-Fraumeni Syndroom (LFS) en Tubereuze Sclerose.

Een Glioblastoom als hersentumor type

Glioblastoom

Een Glioblastoom GBM Glioblastoma hersentumor typeEen Glioblastoom, of wel glioom, is een primaire tumor van het zenuwstelsel en groeit vanuit het gliaweefsel. Gliacellen zijn steuncellen van de hersencellen.

In Nederland krijgen elk jaar ongeveer 1000 - 1200 patiënten een glioom. Daarmee is een glioom de meest voorkomende kwaadaardige primaire hersentumor. Gliomen komen in 4 gradaties voor:

  • Laaggradige tumoren (graad 1 en 2)
  • Hooggradige tumoren (graad 3 en 4)

'Laaggradig' en 'hooggradig' staan niet gelijk aan 'goedaardig' en 'kwaadaardig'. Bij gliomen zijn alleen de graad 1 tumoren, het pilocytair en pilomyxoid astrocytoom, echt goedaardig: deze tumoren groeien plaatselijk en zijn met een volledige operatie vaak te genezen. Gliomen die in graad 2, 3 en 4 vallen gedragen zich uiteindelijk kwaadaardig. Hoe hoger de graad, hoe sneller de groei en dus hoe kwaadaardiger de tumor. Gliomen komen na behandeling vrijwel altijd terug. Hersentumoren uit graad 2 en 3 krijgen tijdens hun ontwikkeling uiteindelijk meestal een hogere graad. Het glioblastoma multiforme, afgekort GBM of glioblastoom, is de meest kwaadaardige vorm van een hersentumor.

Symptomen bij gliomen

De klachten van een hersentumor zijn per patiënt verschillend en hangen samen met de plek van de tumor in de hersenen. De verschijnselen kunnen variëren van epileptische aanvallen, hoofdpijn, een halfzijdige verlamming, problemen met spreken, gedragsverandering en/of vergeetachtigheid.

Moleculaire kenmerken

Het wordt de laatste jaren steeds duidelijker dat niet alleen het type glioom (celtype) van belang is. Ook de moleculaire kenmerken van de tumor zeggen veel over de prognose. De moleculaire kenmerken zijn de eigenschappen van het tumorweefsel en van het DNA (erfelijk materiaal) van de tumor. Soms zeggen deze kenmerken ook iets over de gevoeligheid voor bepaalde therapieën. De tumormarkers en andere kenmerken worden uit de tumor gehaald door middel van “the new generation sequencing”. Men zoekt dan naar specifiek DNA veranderingen zoals 1p-19q co-deletie, MGMT, IDH1.

Globaal behandelschema glioom

Bij verdenking op aanwezigheid van een hooggradig glioom: Ofwel een hersenoperatie (craniotomie) wakker dan wel onder narcose om tumor zo veel mogelijk te verwijderen met weefseldiagnose. Ofwel een hersenbiopsie voor weefseldiagnose.  Ofwel, bij zeer agressieve hersentumor, geen behandeling meer, maar waardig sterfproces inzetten.

Erfelijkheid

Over hoe en waardoor hersentumoren ontstaan is vrijwel niets bekend. Invloeden van buitenaf lijken geen belangrijke rol bij de ontwikkeling van een glioom te spelen. Alleen patiënten die eerdere bestraling van het hoofd hebben gehad, hebben een grotere kans op een glioom. Wel is duidelijk dat erfelijke factoren mede een rol spelen, alleen niet in welke mate. Het gaat in elk geval niet om een erfelijke ziekte. Veel meer is het waarschijnlijk zo dat de aanleg om een hersentumor te krijgen al bij de geboorte aanwezig is. Van geen enkele omgevingsfactor is een relatie met het ontstaan van hersentumoren aangetoond (voeding, roken, alcohol, enz.). Ook voor een verband met het gebruik van de mobiele telefoon is er geen bewijs. Bij slechts een klein aantal erfelijke syndromen komen gliomen voor. Echter deze syndromen zijn veelal in de familie bekend, of worden ontdekt in de vroege jeugd.

Een Oligodendroglioom hersentumor type

Oligodendroglioom

Een Oligodendroglioom als astrocytoom glioom hersentumor typeEen oligodendroglioom, is een primaire tumor van het zenuwstelsel en groeit vanuit het steunweefsel wat de geleiding verzorgt rondom de zenuwvezels in de hersenen.

Een oligodendroglioom is een zeldzame hersentumor en komt in twee typen voor;

  • Laaggradige tumoren (graad 2). De tumorcellen lijken sterk op de oorspronkelijke cellen. De tumor groeit meestal langzaam en zaait niet snel uit. De patiënt krijgt er vaak pas laat last van.
  • Hooggradige tumoren (graad 3 en 4), oligodendrogliomen die sterk kwaadaardig zijn. Hierbij wijken de tumorcellen sterk af. De tumor groeit snel en zaait ook snel uit. Een andere naam voor deze tumor is anaplastische oligodendrogliomen.

'Laaggradig' en 'hooggradig' staan niet gelijk aan 'goedaardig' en 'kwaadaardig'. Gliomen die in graad 2, 3 en 4 vallen gedragen zich uiteindelijk kwaadaardig. Hoe hoger de graad, hoe sneller de groei en dus hoe kwaadaardiger de tumor. Gliomen komen na behandeling vrijwel altijd terug. Hersentumoren uit graad 2 en 3 krijgen tijdens hun ontwikkeling uiteindelijk meestal een hogere graad.

Symptomen bij gliomen

De klachten van een hersentumor zijn per patiënt verschillend en hangen samen met de plek van de tumor in de hersenen. De verschijnselen kunnen variëren van epileptische aanvallen, hoofdpijn, een halfzijdige verlamming, problemen met spreken, gedragsverandering en/of vergeetachtigheid.

Moleculaire kenmerken

Oligodendrogliomen zijn het afgelopen decennium steeds meer in de belangstelling gekomen door hun gevoeligheid voor chemotherapie vanwege de moleculaire kenmerken. De tumormarkers en andere kenmerken worden uit de tumor gehaald door middel van “the new generation sequencing”. Men zoekt dan naar specifiek DNA veranderingen zoals 1p-19q co-deletie, MGMT, IDH1.

Globaal behandelschema oligodendroglioom

Bij verdenking op aanwezigheid van een oligodendroglioom: Ofwel Wait and See behandeling, dat is een behandeling om iedere 3 maanden de hersentumor te monitoren middels een MRI-scan. Dit beleid wordt ingezet als de oligodendroglioom nagenoeg geen kwaliteit van leven heeft verminderd en/of in de eerste 3 maanden geen millimeter is gegroeid. Ofwel een hersenoperatie (craniotomie) wakker dan wel onder narcose om tumor zo veel mogelijk te verwijderen met weefseldiagnose, ook om epilepsie onder controle te krijgen. Ofwel een hersenbiopsie voor weefseldiagnose.  

Erfelijkheid

Over hoe en waardoor hersentumoren ontstaan is vrijwel niets bekend. Invloeden van buitenaf lijken geen belangrijke rol bij de ontwikkeling van een glioom te spelen. Alleen patiënten die eerdere bestraling van het hoofd hebben gehad, hebben een grotere kans op een glioom. Wel is duidelijk dat erfelijke factoren mede een rol spelen, alleen niet in welke mate. Het gaat in elk geval niet om een erfelijke ziekte. Veel meer is het waarschijnlijk zo dat de aanleg om een hersentumor te krijgen al bij de geboorte aanwezig is. Van geen enkele omgevingsfactor is een relatie met het ontstaan van hersentumoren aangetoond (voeding, roken, alcohol, enz.). Ook voor een verband met het gebruik van de mobiele telefoon is er geen bewijs. Bij slechts een klein aantal erfelijke syndromen komen gliomen voor. Echter deze syndromen zijn veelal in de familie bekend, of worden ontdekt in de vroege jeugd.

Een Astrocytoom glioom hersentumor type

Een Astrocytoom

Astrocytoom glioom hersentumor type graad 2Een astrocytoom is een hersentumor die is ontstaan uit astrocyten, dat zijn stervormige cellen die als het ware het dragend weefsel van de hersenen vormen. Astrocytomen zijn kwaadaardige tumoren.

In Nederland krijgen elk jaar ongeveer 100 - 120 patiënten een glioom. Astrocytomen komen in 4 gradaties voor:

  • Laaggradige tumoren (graad 1 en 2)
  • Hooggradige tumoren (graad 3 en 4)

'Laaggradig' en 'hooggradig' staan niet gelijk aan 'goedaardig' en 'kwaadaardig'. Bij astrocytomen zijn alleen de graad 1 tumoren, het pilocytair en pilomyxoid astrocytoom, echt goedaardig: deze tumoren groeien plaatselijk en zijn met een volledige operatie vaak te genezen. Astrocytomen die in graad 2, 3 en 4 vallen gedragen zich uiteindelijk kwaadaardig. Hoe hoger de graad, hoe sneller de groei en dus hoe kwaadaardiger de tumor. Astrocytomen komen na behandeling vrijwel altijd terug. Hersentumoren uit graad 2 en 3 krijgen tijdens hun ontwikkeling uiteindelijk meestal een hogere graad. De astrocytoom graad 4 wordt ook genoemd de glioblastoma multiforme, afgekort GBM of glioblastoom, en is de meest kwaadaardige vorm van een hersentumor.

Symptomen bij astrocytomen

De klachten van een hersentumor zijn per patiënt verschillend en hangen samen met de plek van de tumor in de hersenen. De verschijnselen kunnen variëren van epileptische aanvallen, hoofdpijn, een halfzijdige verlamming, problemen met spreken, gedragsverandering en/of vergeetachtigheid.

Moleculaire kenmerken

Het wordt de laatste jaren steeds duidelijker dat niet alleen het type astrocytoom (celtype) van belang is. Ook de moleculaire kenmerken van de tumor zeggen veel over de prognose. De moleculaire kenmerken zijn de eigenschappen van het tumorweefsel en van het DNA (erfelijk materiaal) van de tumor. Soms zeggen deze kenmerken ook iets over de gevoeligheid voor bepaalde therapieën. De tumormarkers en andere kenmerken worden uit de tumor gehaald door middel van “the new generation sequencing”. Men zoekt dan naar specifiek DNA veranderingen zoals 1p-19q co-deletie, MGMT, IDH1.

Globaal behandelschema astrocytoom

Bij verdenking op aanwezigheid van een astrocytoom: Ofwel Wait and See behandeling, dat is een behandeling om iedere 3 maanden de hersentumor te monitoren middels een MRI-scan. Dit beleid wordt ingezet als de astrocytoom nagenoeg geen kwaliteit van leven heeft verminderd en/of in de eerste 3 maanden geen millimeter is gegroeid. Ofwel een hersenoperatie (craniotomie) wakker dan wel onder narcose om tumor zo veel mogelijk te verwijderen met weefseldiagnose. Ofwel een hersenbiopsie voor weefseldiagnose.  Ofwel, bij zeer agressieve astrocytoom 4, geen behandeling meer, maar waardig sterfproces inzetten.

Erfelijkheid

Over hoe en waardoor hersentumoren ontstaan is vrijwel niets bekend. Invloeden van buitenaf lijken geen belangrijke rol bij de ontwikkeling van een glioom te spelen. Alleen patiënten die eerdere bestraling van het hoofd hebben gehad, hebben een grotere kans op een glioom. Wel is duidelijk dat erfelijke factoren mede een rol spelen, alleen niet in welke mate. Het gaat in elk geval niet om een erfelijke ziekte. Veel meer is het waarschijnlijk zo dat de aanleg om een hersentumor te krijgen al bij de geboorte aanwezig is. Van geen enkele omgevingsfactor is een relatie met het ontstaan van hersentumoren aangetoond (voeding, roken, alcohol, enz.). Ook voor een verband met het gebruik van de mobiele telefoon is er geen bewijs. Bij slechts een klein aantal erfelijke syndromen komen gliomen voor. Echter deze syndromen zijn veelal in de familie bekend, of worden ontdekt in de vroege jeugd.